Blog Lees hier het laatste nieuws en belangrijke informatie
BTW oninbare vorderingen

Per 1 januari 2017 is een wijziging doorgevoerd voor het terugvragen van reeds afgedragen btw van oninbare vorderingen.

Op grond van de oude wetgeving ontstond het recht op teruggaaf van btw op het moment waarop bleek dat een vordering niet was of zou worden betaald. In de praktijk kon dit bijna alleen maar worden aangetoond in de situatie waarin bij voor een faillissement van de schuldenaar de slotuitdelingslijst door de curator was opgesteld, dan wel ingeval de schuldenaar een schriftelijke verklaring afgaf dat de openstaande vordering niet meer zou worden betaald. U als ondernemer moest dan een apart teruggaafverzoek indienen binnen één maand na het tijdvak waarin het recht op teruggaaf ontstond. Indien later alsnog sprake was van een (gedeeltelijke) betaling van de oninbaar geachte vordering was u als ondernemer de teruggevraagde btw op deze (gedeeltelijke) betaling niet weer verschuldigd.

Ook in de nieuwe opzet ontstaat het recht op teruggaaf van btw bij gehele of gedeeltelijke niet-betaling van een vergoeding op het tijdstip waarop de oninbaarheid van de vordering kan worden vastgesteld. Een essentiële wijziging is echter, dat nu de fictie is opgenomen, dat het recht op teruggaaf ontstaat uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Als u geen betalingstermijn heeft vastgelegd, dan geldt de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur door uw klant.

Op basis van het overgangsrecht wordt voor vergoedingen die opeisbaar zijn geworden in 2016, of in de jaren daarvoor, de termijn van één jaar geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2017. Dit brengt met zich mee, dat voor deze vorderingen btw-teruggaaf kan worden verkregen op 1 januari 2018, tenzij al eerder duidelijk is dat de vordering niet wordt betaald.

De teruggaaf van btw kan op grond van de wetswijziging via de btw-aangifte worden gedaan in plaats van via een apart verzoek. U mag kiezen of u het terug te vragen btw-bedrag opneemt als aftrekbare voorbelasting (vraag 5b van de aangifte) of als negatieve omzet met het daarbij behorende negatieve bedrag aan btw (vraag 1a of 1b van de aangifte).

Indien later alsnog sprake is van een (gedeeltelijke) betaling van de oninbaar geachte vordering zal de ondernemer de teruggevraagde btw op deze gedeeltelijke betaling weer verschuldigd zijn. Let u er wel op, dat als er een schuldeisersakkoord wordt gesloten de btw niet meer kan worden teruggevraagd, ook niet de btw die ziet op het deel van de vordering dat wordt prijsgegeven.

Indien u crediteuren niet heeft betaald, wordt de termijn van terugbetaling van de reeds verrekende btw ingekort van twee jaar naar één jaar. Hiervoor geldt overigens geen overgangsrecht, waardoor de reeds afgetrokken doch niet betaalde btw in ieder geval verschuldigd wordt één jaar na het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoeding. Betaalt u daarna alsnog, dan krijgt u opnieuw recht op aftrek. Ook dit kan plaatsvinden via de reguliere btw-aangifte.

Subsidieregeling praktijleren

Subsidieregeling praktijkleren
Bedrijven, erkende leerbedrijven en instellingen, waaronder opleidingsbedrijven, die een praktijkleerplaats of een werkleerplaats aanbieden aan leerlingen, studenten of deelnemers in diverse onderwijssectoren kunnen subsidie aanvragen (tot en met 2013 was er de afdrachtvermindering onderwijs).

Het leerbedrijf kan in aanmerking komen voor subsidie naar rato van de periode waarin hij begeleiding heeft verzorgd tijdens het studiejaar. Ook als een deelnemer stopt, krijgt de werkgever naar verhouding een tegemoetkoming in de kosten die hij heeft gemaakt voor de begeleiding. De werkgever hoeft geen volledig studiejaar begeleiding te geven om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Begeleiding uit voorgaande studiejaren komt niet in aanmerking voor subsidie.

In 2016 kunt u een subsidieaanvraag indienen vanaf 2 juni 2016 tot en met uiterlijk 15 september 2016 voor 17.00 uur.

Subsidie achteraf aanvragen
Subsidie praktijkleren kunt u pas achteraf aanvragen: na afloop van het studiejaar (31 juli of 31 augustus) of na afloop van de begeleiding. Een aanvraag kunt u tijdens de aanvraagperiode indienen.

Als de begeleiding eerder stopt dan in de (praktijkleer)overeenkomst is aangegeven, bijvoorbeeld omdat het diploma is behaald of omdat de werknemer uit dienst gaat, dan moet u deze datum als einddatum van de begeleiding in uw aanvraagformulier invullen.

Digitaal indienen
Als bedrijf ontvangt u van het kenniscentrum een erkenningscode dat u als leerbedrijf erkend bent voor specifieke opleidingen. De code begint met 2 cijfers en 2 letters. Het is een code van 17 karakters. Deze erkenningscode (code leerbedrijf) heeft u nodig bij uw aanvraag.

U kunt uitsluitend via het eLoket een aanvraag voor de subsidieregeling digitaal indienen. Voor deze aanvraag is een eHerkenning nodig. De aanvraag van een eherkenning neemt 2 tot 7 werkdagen in beslag. Vraag deze dus tijdig aan.

In de aanvraagformulieren dient de indiener onder andere te verklaren dat de werkgever beschikt over de vereiste (praktijkleer) overeenkomst op basis waarvan de begeleiding heeft plaatsgevonden, dat de begeleiding heeft plaatsgevonden in overeenstemming met die overeenkomst en dat de vereiste administratie op orde is.

Beslistermijn en uitbetaling
Na 15 september 2016 wordt gelijktijdig besloten op alle ingediende aanvragen. Een aanvraag die al in juni is ingediend, omdat de begeleiding op dat moment was afgerond, wordt dus pas afgehandeld na het einde van het studiejaar. Vervolgens wordt aan de hand van alle aanvragen per onderwijscategorie het subsidiebedrag voor een volledige gerealiseerde plaats berekend. Aan de hand daarvan volgen de individuele beschikkingen.

De minister beslist binnen 13 weken na 15 september van enig kalenderjaar op de voor het daaraan voorafgaande studiejaar ontvangen aanvragen. De beslissing is direct de vaststelling van de subsidie. Voor het einde van het jaar krijgt de werkgever zekerheid over het te ontvangen subsidiebedrag en dit wordt direct uitbetaald door RVO.nl.

Beloning van vakantiekrachten

Minimumloon
Als u scholieren te werk gaat stellen, zult u hen minimaal het minimumloon moeten betalen, passend bij de leeftijd van de scholier.

Aanpassing minimumlonen per 1 januari 2016

De minimumlonen per maand (bij 40-urige werkweek) zien er als volgt uit:

Tot 01-01-2016 - Na 01-01-2016
15 jaar € 452,35 - € 457,40
16 jaar € 520,20 - € 526,00
17 jaar € 595,60 - € 602,20
18 jaar € 686,05 - € 693,70
19 jaar € 791,60 - € 800,40
20 jaar € 927,30 - € 937,65
21 jaar € 1.093,15 - € 1.105,35
22 jaar € 1.281,65 - € 1.295,90
>23 jaar € 1.507,80 - € 1.524,60

In 2017 zal vermoedelijk het minimumjeugdloon voor jongeren van 22 jaar afgeschaft worden en in 2019 gaan vermoedelijk ook de 21-jarigen het reguliere minimumloon verdienen.

Werktijden en werkzaamheden
Voor jongeren tot 18 jaar gelden afwijkende regels voor werktijden en werkzaamheden.

13 en 14 jaar Maximale werktijden zijn 12 uur per week; op schooldagen maximaal 2 uur en op zaterdag en vakantiedagen maximaal 7 uur per week. De maximale werkweek tijdens vakantie is 35 uur. Per jaar mag men maximaal 4 weken vakantiewerk doen, waarvan 3 aaneengesloten. De werkzaamheden mogen bestaan aan klusjes in en om huis en in de buurt en licht niet-industrieel werk.

15 jaar
Maximale werktijden zijn 12 uur per week; op schooldagen maximaal 2 uur en op zaterdag en vakantiedagen maximaal 8 uur per week. De maximale werkweek tijdens vakantie is 40 uur. Per jaar mag men maximaal 6 weken vakantiewerk doen, waarvan 4 aaneengesloten. De werkzaamheden mogen bestaan uit zelfstandig licht, niet-industrieel werk.

16 en 17 jaar
De werktijden bedragen maximaal 9 uur per dienst en 45 uur per week. Schooltijd telt hierbij mee als arbeidstijd (per dienst). Per 4 weken werkweek gemiddeld maximaal 40 uur. De werkzaamheden mogen bijna elk soort werk zijn, maar geen gevaarlijk werk of met gevaarlijke stoffen. Werk mag hen niet hinderen om naar school te gaan.

Wet aanpak schijnconstructies

Sinds 1 juli 2015 is de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) van kracht. De wet zorgt ervoor dat uitbuiting, onderbetaling van werknemers en oneerlijke concurrentie worden tegengegaan.

Het is sinds 1 juli 2015 verplicht om minimaal het minimumloon giraal over te maken aan de werknemer. Voorheen mochten werkgevers nog allerlei kosten zoals voor huisvesting of een zorgverzekering inhouden op het salaris. Hierdoor kwam de uitbetaling mogelijk onder het minimumloon. Sinds 1 juli 2015 moet minimaal het minimumloon giraal betaald worden. Eventuele door de medewerker te betalen kosten, zal deze medewerker vervolgens zelf over moeten maken.

Niet alleen de werkgever, maar ook de opdrachtgever is verantwoordelijk voor het betalen van het cao-loon. De zogenoemde ketenaansprakelijkheid voor loon. Onderbetaalde werknemers krijgen zo meer mogelijkheden om hun achterstallige loon te innen. Opdrachtgevers die weten, of moeten weten, dat een werknemer niet voldoende betaald krijgt, kunnen hiervoor aansprakelijk worden gesteld. Bij ernstige onderbetaling kan een werknemer na 6 maanden de hoofdopdrachtgever aansprakelijk stellen.

Wet Werk en zekerheid

Wet Werk en zekerheid In 2015 is de wet Werk en Zekerheid ingevoerd. Een aantal wijzigingen zijn per 1 januari 2015 ingevoerd en een aantal zijn per 1 juli 2015 ingevoerd. Hieronder een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

Wijzigingen per 1 januari 2015:

1. Een proeftijd mag niet worden opgenomen in tijdelijke arbeidsovereenkomsten van zes maanden of korter
De meeste arbeidsovereenkomsten beginnen met een proeftijd. Tijdens de proeftijd mag u de arbeidsovereenkomst met de werknemer direct en zonder verdere formaliteiten opzeggen. De werknemer mag dat ook. Dat gaat voor een aantal arbeidsovereenkomsten veranderen. Bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van zes maanden of korter is met ingang van 1 januari 2015 geen proeftijd meer toegestaan.

2. Een concurrentiebeding is niet toegestaan in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
Met een concurrentiebeding wilt u voorkomen dat uw ex-werknemer bij een concurrerend bedrijf aan de slag gaat of u op andere wijze gaat beconcurreren. Vanaf 1 januari 2015 kunt u een dergelijk concurrentiebeding in principe niet meer in tijdelijke arbeidsovereenkomsten laten opnemen. Deze wijziging geldt voor alle nieuwe arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een ingangsdatum van 1 januari 2015 of later. Hierop zijn echter uitzonderingen. Bij een zwaarwichtig bedrijfsbelang kan een dergelijk beding wenselijk zijn. Deze zwaarwichtige belangen moet u dan wel schriftelijk motiveren.

3. Aanzegplicht richting werknemer over een eventuele voortzetting van de arbeidsovereenkomst
Een grote verandering die ook op 1 januari 2015 is ingegaan, is de aanzegplicht van de werkgever. Dat betekent dat u als werkgever minstens een maand voordat een arbeidsovereenkomst afloopt, de werknemer schriftelijk moet laten weten of u de arbeidsovereenkomst laat eindigen of voortzet, en onder welke condities. Deze wijziging geldt voor alle tijdelijke arbeidsovereenkomsten van zes maanden of langer die automatisch aflopen na 31 januari 2015. Deze aanzegplicht geldt niet voor contracten waarbij geen einddatum is bepaald, zoals bij contracten op projectbasis.

Wijzigingen per 1 juli 2015:
1. Ontslagvergoeding maakt plaats voor transitievergoeding
Per 1 juli 2015 heeft iedere werknemer die twee jaar of langer bij u heeft gewerkt en waarbij u de arbeidsovereenkomst wilt beëindigen, recht op een transitievergoeding. Deze vergoeding is afhankelijk van het aantal jaren dat de werknemer bij u in dienst is geweest.

Hoe hoog wordt de transitievergoeding?
De regel is: 1/3 maandsalaris per dienstjaar en 1/2 maandsalaris per dienstjaar dat iemand langer dan tien jaar in dienst is geweest. De vergoeding wordt maximaal 75.000 euro en maximaal een jaarsalaris voorwerknemers die meer dan 75.000 euro per jaar verdienen.

Voor kleine bedrijven komt er een overgangstermijn: zij mogen tot 2020 een lagere ontslagvergoeding betalen als zij werknemers gedwongen moeten ontslaan vanwege een slechte financiële situatie.

Tip: Deze transitievergoeding geldt ook voor tijdelijke werknemers die minstens twee jaar bij u hebben gewerkt. Het aangaan van tijdelijke contracten met een totale duur van twee jaar is wellicht niet meer wenselijk.

2. Flexwerk na 2 jaar vast
Tot 1 juli 2015 gold, dat drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten, die elkaar binnen 3 maanden opvolgden, en die de totale duur van 36 maanden niet overschreden, van rechtswege eindigden. Per 1 juli 2015 mogen er nog steeds drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten worden gesloten, maar dienen er minimaal 6 maanden tussen te zitten. Tevens wijzigt de totale duur van 36 maanden in 24 maanden.

3. Werknemer kan een schriftelijke beëindigingovereenkomst herroepen
Bij een beëindiging met wederzijds goedvinden, geldt per 1 juli 2015 een bedenktijd. De werknemer kan binnen 14 dagen, zonder opgaaf van redenen, de overeenkomst ontbinden of zijn instemming herroepen. De werkgever dient de werknemer schriftelijk te wijzen op dit recht van bedenktijd. Indien deze mededeling ontbreekt, wordt de bedenktermijn verlengd tot drie weken.

Einde pensioensopbouw in eigen beheer per 1 juli 2017

De pensioenopbouw in eigen beheer stopt per 1 april 2017. Om dga’s meer tijd te gunnen om alle handelingen te verrichten, wordt hen tot 1 juli 2017 de tijd gegeven om de eerste stap te regelen (coulancetermijn).

Er zijn 3 keuzemogelijkheden:

  • 1. Handhaving van de per ultimo 2016 opgebouwde pensioenrechten
  • 2. Afkoop
  • 3. Omzetting in een oudedagsverplichting

A. Handhaving van de per ultimo 2016 opgebouwde pensioenrechten

Bij deze keuze blijven de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten gehandhaafd. Deze kunnen alleen nog maar aangroeien ten gevolge van een toegezegde indexatie. Voor deze indexatie dient er elk jaar een actuariële berekening gemaakt te worden. Tevens blijft de bestaande dividendklem gehandhaafd, omdat voor de berekening van een te verrichte dividenduitkering uitgegaan moet worden van de commerciële waarde van de pensioenverplichting. Deze commerciële waarde is veel hoger dan de in de balans vermelde fiscale waarde.

B. Afkoop

Afkoop vindt plaats tegen de fiscale waarde op het moment van afkoop. Om afkoop aantrekkelijker te maken wordt er een korting verleend op de te belasten afkoopsom ter grootte van een percentage van de fiscale balanswaarde per 31 december 2015 van 34,5% in 2017, 25% in 2018 en 19,5% in 2019. Over de pensioenopbouw na 31 december 2015 zal geen korting verleend worden. De pensioenverplichting dient geheel afgekocht te worden.

C. Omzetting in een oudedagsverplichting

De oudedagsaanspraak is bij aanvang gelijk aan de fiscale waarde van het omgezette pensioen. De aanspraak wordt jaarlijks verhoogd met de marktrente, die gelijk gesteld zal worden aan het u-rendement. De waarde in het economische verkeer zal dus gelijk zijn aan de fiscale waarde, waardoor de dividendklem aanzienlijk minder beklemmend zal zijn.

De dga heeft tot de AOW-leeftijd de tijd om de opgerente aanspraak om te zetten in een lijfrente bij een externe uitvoerder. Vindt er geen afstorting plaats, dan dient de aanspraak uiterlijk op de AOW-leeftijd in 20 jaar door de BV aan de dga te worden uitgekeerd. Het is mogelijk de uitkeringen maximaal vijf jaar eerder in te laten gaan. De eerste jaaruitkering wordt vastgesteld door de hoogte van de aanspraak te delen door de uitkeringsduur. Elke volgende jaaruitkering is gelijk aan de resterende aanspraak, na uitkering en oprenting, gedeeld door de resterende uitkeringsduur.

Binnen een maand na afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting dient de dga via een daartoe bestemd formulier informatie te verstrekken aan de belastingdienst. Dit informatieformulier dient ook door de (gewezen) partner ondertekend te worden. Het niet (tijdig) voldoen aan de informatieplicht betekent dat de gehele pensioenaanspraak voor de commerciële waarden in één keer als loon uit vroegere dienstbetrekking zal worden belast en dat er tevens 20% revisierente verschuldigd is.

Met zowel afkoop als omzetting van de pensioenverplichting dient de partner van de dga schriftelijk in te stemmen. De partner is de echtgenoot, geregistreerd partner of de partner in de zin van de pensioenovereenkomst. Indien bij een echtscheiding de rechten niet zijn afgestort bij een verzekeraar, dient ook de ex-partner in te stemmen met afkoop of omzetting. De partner verliest bij afkoop of omzetting aanspraak op een nabestaanden pensioen. Hiervoor zal de partner mogelijk gecompenseerd moeten worden. Het uitblijven van compensatie kan tot een belaste schenking leiden.

Wat moet worden geregeld voor 1 juli 2017?

  • • De BV die de pensioentoezegging heeft gedaan, moet een vergadering van aandeelhouders houden waarin wordt besloten de pensioenopbouw in eigen beheer uiterlijk op 30 juni 2017 stop te zetten en waarin voorts wordt besloten tot aanpassing van de pensioenbrief waarin de pensioenaanspraken van de dga zijn opgenomen.
  • • Voor 1 juli 2017 moet de dga met zijn werkgever overeenkomen om de arbeidsovereenkomst aan te passen door in de pensioenbrief op te nemen dat het pensioen in eigen beheer vanaf 1 juli 2017 premievrij wordt voortgezet. Indien wordt besloten om de toekomstige opbouw van het dga-pensioen extern bij een verzekeringsmaatschappij voort te zetten, moet dat ook worden vastgelegd in de pensioenbrief ingevolge een besluit van de vergadering van aandeelhouders.
  • • Is het pensioen ondergebracht bij een ander met de dga verbonden lichaam dan de vennootschap die de pensioentoezegging heeft gedaan, dan zal ook de pensioenfinancieringsovereenkomst tussen werkgever en pensioenlichaam moeten worden aangepast (lees: stopgezet).
  • • Is een deel van het dga-pensioen ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, dan kan dit pensioen voor 1 juli 2017 naar het eigen pensioenlichaam worden overgebracht. Hierdoor kan dit pensioenkapitaal eventueel worden afgekocht (maar wel zonder korting) of omgezet in een oudedagsverplichting. Het verzoek tot overheveling dient voor 1 juli 2017 door de externe verzekeraar te zijn ontvangen, de administratieve afhandeling kan, mits binnen de gebruikelijke termijnen daarvoor, nadien plaatsvinden.
  • • Wordt de pensioenopbouw in eigen beheer stopgezet en vindt ter compensatie daarvan ook geen verdere pensioenopbouw bij een verzekeringsmaatschappij plaats, dan kan onder omstandigheden het totale loon ongebruikelijk laag worden. In dat geval dient ter compensatie voor het wegvallen van de pensioenpremie het loon te worden verhoogd.

Werkkostenregeling (WKR)

Per 1 januari 2015 is de werkkostenregeling voor alle werkgevers verplicht. Wat betekent dat voor u?

De werkkostenregeling vervangt de regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen en is vanaf 1 januari 2015 verplicht voor elke werkgever. De werkkostenregeling geldt voor alle vergoedingen, verstrekkingen en ter beschikking gestelde voorzieningen die tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking horen. Bij de werkkostenregeling gaat het dus uitdrukkelijk om loon.

Daarom is het belangrijk te weten wat precies tot het loon hoort. In het kort: loon is alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking. Het kan gaan om loon in geld, maar ook om loon in natura. Het maakt niet uit of de werknemer recht heeft op het loon. Een vrijwillig gegeven gratificatie is net zo goed loon als het winstaandeel waarop de werknemer recht heeft volgens zijn arbeidsvoorwaarden. Het maakt niet uit of de werknemer voor het loon heeft gewerkt. Loon over verzuimde uren is ook loon.

Als geen sprake is van loon, zijn de regels van de werkkostenregeling niet van toepassing. Dat is bijvoorbeeld het geval bij intermediaire kosten. De werknemer verricht een betaling voor zijn werkgever en krijgt het voorgeschoten bedrag terug. Deze terugbetaling is geen loon.

Vrije ruimte

Binnen de werkkostenregeling kunt u maximaal 1,2 procent van uw totale fiscale loon (de vrije ruimte) besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor uw werknemers. U moet deze vergoedingen en verstrekkingen dan wel in uw administratie opnemen als eindheffingsloon. Vergoedingen en verstrekkingen die u niet wilt aanwijzen als eindheffingsloon, merkt u aan als loon van de werknemer en belast u normaal.

Houdt in de gaten of u de vrije ruimte overschrijdt. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80%. U kunt de eindheffing eens per jaar aangeven en betalen. Dat doet u uiterlijk in uw aangifte over het 1e tijdvak van het volgende kalenderjaar.

Gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen

U kunt bepaalde zaken onbelast blijven vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen door gebruik te maken van gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen. Overzicht gerichte vrijstellingen:
• vervoer en reiskosten, waaronder voor woon-werkverkeer;
• abonnementen voor reizen met openbaar vervoer;
• kostenvergoedingen voor zakelijke reizen en woon-werkverkeer met eigen vervoer van maximaal 0,19 euro per kilometer;
• losse kaartjes voor zakelijke reizen met openbaar vervoer;
• kosten van tijdelijk verblijf voor de dienstbetrekking, zoals overnachtingen tijdens dienstreizen en maaltijden;
• cursussen, congressen, vakliteratuur en dergelijke, voor het onderhouden en verbeteren van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het werk;
• studie- en opleidingskosten;
• kosten van outplacement;
• maaltijden bij overwerk, koopavonden, dienstreizen en dergelijke;
• verhuiskosten, als de verhuizing verband houdt met de dienstbetrekking;
• gereedschappen, computers, communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur, die noodzakelijk zijn voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Hieronder kunnen ook de kosten abonnement mobiele telefoon vallen, maar niet die van de vaste telefoon;
• korting op producten uit eigen bedrijf tot een bedrag van 20 procent van de waarde in het economische verkeer van deze producten, maar niet meer dan 500 euro per werknemer per kalenderjaar.

Overzicht nihilwaarderingen:

Voor de volgende soorten loon in natura geldt een nihilwaardering:
• voorzieningen op de werkplek zoals bedrijfsfitness, gereedschappen, de vaste computer, het kopieerapparaat en de vaste telefoon;
• de ter beschikking gestelde arbovoorzieningen op de werkplek en in de werkruimte thuis;
• consumpties op de werkplek die geen deel uitmaken van een maaltijd;
• ter beschikking gestelde kleding die voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
- De kleding is (bijna) alleen geschikt is om tijdens het werk te dragen
- Op de kleding zitten 1 of meer duidelijk zichtbare beeldkenmerken die horen bij de werkgever (bijvoorbeeld een bedrijfslogo). Deze hebben samen een oppervlakte van ten minste 70 cm2 per kledingstuk.
- De kleding blijft aantoonbaar achter op het werk.
- De kleding is een uniform.
- U stelt de kleding ter beschikking omdat de Arbeidsomstandighedenwet dit voorschrijft, zoals een paar veiligheidsschoenen.
- De kleding wordt vooral tijdens werktijd gedragen;
- De werknemer hoeft geen eigen bijdrage te betalen.
• het rentevoordeel van een personeelslening als uw werknemer daarmee een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter koopt;
• het rentevoordeel van een personeelslening voor de eigen woning van uw werknemer als deze aftrekbaar is in de inkomstenbelasting;
• de ter beschikking gestelde ov-jaarkaart en voordeelurenkaart als uw werknemer deze kaart ook voor het werk gebruikt;

Concernregeling

U mag de eindheffing van de werkkostenregeling vanaf 2015 op concernniveau berekenen. Binnen het concern berekent u dan de vrije ruimte over het totale loon van het concern. Dat kan voordelig zijn omdat u zo de vrije ruimte van alle concernonderdelen kunt benutten. U moet dan wel voldoen aan de voorwaarden voor de concernregeling.
Wanneer is er sprake van een concern? U kunt de concernregeling alleen toepassen als alle deelnemende concernonderdelen het hele kalenderjaar een concern vormen. Concernonderdelen die tijdens het kalenderjaar deel worden van het concern of uit het concern verdwijnen, vallen dus buiten de concernregeling. Er is sprake van een concern als u een belang van ten minste 95 procent in een andere werkgever hebt .

Administratie

U hoeft veel vergoedingen en verstrekkingen niet meer per werknemer in uw loonadministratie vast te leggen. U hoeft de vergoedingen en verstrekkingen ook niet te vermelden op de loonstrook. Houdt u er wel rekening mee, dat voor de tot eindheffingsloon gerekende vergoedingen en verstrekkingen, deze inclusief btw genomen moeten worden.

Cafetariaregeling

Binnen de werkkostenregeling kunt u onder voorwaarden nog steeds gebruikmaken van een cafetariaregeling. Daarmee kan de werknemer belast loon ruilen voor onbelast loon, zoals een beloning in natura in de vrije ruimte of een gericht vrijgestelde verstrekking, vergoeding of terbeschikkingstelling. Houd u er wel rekening mee, dat hierdoor de totale fiscale loonsom wijzigt en dus ook het bedrag van de vrije ruimte.

De gebruikelijkheidstoets

De werkkostenregeling biedt veel vrijheden en kent maar één belangrijke beperking, de zogenoemde gebruikelijkheidstoets. De gebruikelijkheidstoets houdt in dat de vergoedingen en verstrekkingen die u in uw administratie opneemt als eindheffingsloon, niet meer dan 30 procent mogen afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. Het bedrag dat boven de 30%-grens uitkomt, is loon van de werknemer. De Belastingdienst gaat ervan uit dat een vergoeding of verstrekking van maximaal 2.400 euro per persoon per kalenderjaar in ieder geval gebruikelijk is. Als de Belastingdienst vindt dat de vergoedingen en verstrekkingen ongebruikelijk zijn, moeten zij dat aantonen.

Belastingvrij schenken in 2017 met gebruikmaking van de verhoogde vrijstelling

In 2017 zijn er de volgende belastingvrije schenkingen mogelijk te weten:

  • • Jaarlijks € 5.320 aan uw kind, vrij te besteden
  • • Eenmalig € 25.526 aan uw kind tussen de 18 en 40 jaar, vrij te besteden
  • • Eenmalig € 53.176 aan uw kind tussen de 18 en 40 jaar, te besteden aan een dure studie
  • • Jaarlijks € 2.129 aan een derde, vrij te besteden
  • • Eenmalig € 100.000 aan uw kind of een derde, onder de hieronder genoemde voorwaarden (ook wel jubelton genoemd)

Ontvangt u een schenking van € 100.000? Dan kunt u gebruikmaken van de vrijstelling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • • U, of uw partner, bent tussen de 18 en 40 jaar op het moment dat u de schenking krijgt. Ontvangt u de schenking op de dag van uw 40e verjaardag? Dan geldt de vrijstelling ook nog.
  • • U hebt niet eerder gebruikgemaakt van een van de verhoogde vrijstellingen voor een schenking die u van dezelfde schenker kreeg.
    • • U gebruikt het bedrag van de schenking om:
    • • een eigen woning te kopen, te verbeteren of te onderhouden uw eigenwoningschuld af te lossen
    • • een restschuld van uw verkochte eigen woning af te lossen
    • • rechten van erfpacht, opstal of beklemming van de eigen woning af te kopen
  • • U kunt schriftelijk aantonen dat de schenking daadwerkelijk is betaald en dat u de schenking hebt gebruikt voor uw eigen woning.
  • • U hebt in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd dat er geen voorwaarden aan de schenking zitten, of dat de schenking vervalt als u het geld niet op tijd gebruikt voor uw eigen woning.
  • • U gebruikt de schenking voor 31 december 2019 voor uw eigen woning.
  • • U vraagt de vrijstelling aan in de aangifte schenkbelasting 2017.

Gebruikt u de schenking toch niet voor 31 december 2019? Dan moet u dat aan de belastingdienst melden. Dat doet u uiterlijk op 31 mei 2020.

De begiftigde kan maar één keer van de vrijstelling gebruik maken, maar dit geldt wel per schenker.

Om eventuele boetes bij aflossing eigen woning schuld te voorkomen of te beperken, mag de schenking ook gespreid over 3 komende jaren gedaan worden, mits in alle jaren aan de leeftijdseis wordt voldaan. In elk jaar dat een schenking wordt ontvangen, dient de verkrijger een beroep te doen op de verhoogde schenkingsvrijstelling. De schenker mag het bedrag ook ineens overmaken, onder de opschortende voorwaarde van aflossing eigen woningschuld. De schenking komt immer fiscaal pas tot stand op het moment van aflossing. Een over drie jaren gespreide schenking heeft wel gevolgen voor de inkomstenbelasting. De schenker heeft een schuld in box III aan de verkrijger en de verkrijger een vordering in box III op de schenker van het niet-betaalde bedrag.

Indien de ontvanger niet (in alle jaren) aan de leeftijdseis voldoet maar wel zijn of haar partner, kan er ook van de vrijstelling gebruik gemaakt worden. De schenking blijft dan aan dezelfde persoon, alleen de leeftijd van de partner wordt “geleend”.

Fiscale partners worden voor de schenkingen als dezelfde schenker gezien. Er wordt voor het partnerbegrip aangesloten bij de wet erfbelasting.

Voor gescheiden ouders geldt een bijzonder samentelregeling: de gescheiden ouders vormen voor schenking aan hun kind samen één schenker.

Wilt u gebruik maken van de regeling, dan kunnen wij u van dienst zijn.

Privégebruik auto

Een medewerker of de zelfstandige ondernemer zelf die een auto ter beschikking gesteld heeft gekregen, dient eventueel rekening te houden met een bijtelling wegens het privégebruik van deze auto.

Er dient een bijtelling plaats te vinden, indien er in het kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé wordt gereden. Deze bijtelling is, afhankelijk van de brandstof ,de co2 uitstoot en datum eerste ingebruikname, een percentage van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Dit percentage geldt gedurende 60 maanden (indien de datum van eerste ingebruikname na 30 juni 2012 ligt).. De bijtelling wegens privégebruik dient door de werkgever maandelijks bij het salaris in aanmerking te worden genomen, zodat de verschuldigde loonheffingen hierover maandelijks worden afgedragen. Een eventuele eigen bijdrage van de medewerker zelf dient hierop in mindering te worden gebracht.

Indien bij een zelfstandige ondernemer de totale autokosten inclusief afschrijvingen lager zijn, dan is de bijtelling gemaximeerd tot deze totale kosten Bijtelling wegens privégebruik kan voorkomen worden door:

- Een sluitende rittenadministratie waaruit blijkt, dat er minder dan 500 kilometer privé is gereden. Deze rittenadministratie dient aan te sluiten bij onder andere de onderhoudsbeurten in de garage, kilometerstanden bij tanken, bekeuringen etc. Het woon-werkverkeer wordt hierbij niet als privé beoordeeld.
- Een door de medewerker aan te vragen verklaring geen privégebruik auto. In dit geval mag de medewerker nog steeds maximaal 500 kilometer privé rijden, mits aantoonbaar met een sluitende rittenadministratie, maar ligt de verantwoordelijkheid ook bij de medewerker zelf. Als blijkt, dat er onregelmatigheden zijn, zal de belastingdienst de naheffing niet bij de werkgever opleggen. Dat laatste kan alleen indien de werkgever redelijkerwijs had kunnen weten dat de medewerker meer dan 500 kilometer privé reed.
- Een door de werkgever aan te vragen verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. In dit geval mag er met de bestelauto geen enkele kilometer privé gereden worden.
- Bij wisselend gebruik van de bestelauto. In dat geval is er per bestelauto een eindheffing van euro 300 verschuldigd.
- Indien een bestelauto naar aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Dit zal aan de hand van feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Eventueel overleg met de belastingdienst hierover is zeker aan te raden.

Er dient bij het privégebruik van de auto tevens een btw correctie plaats te vinden. Deze dient bij de aangifte btw van het laatste tijdvak aangegeven te worden als af te dragen btw wegens privégebruik. De btw correctie bedraagt 2,7% van de cataloguswaarde (Inclusief btw en bpm). Indien het echter een marge auto betreft of indien de auto meer dan vijf jaar in het bezit van de ondernemer is, bedraagt deze btw correctie 1,5%.

Voor de btw worden de woonwerk kilometers echter wel gezien als privé kilometers. Dit in tegenstelling tot de beoordeling van het privégebruik zelf.

2015 © Copyright Van Wijngaarden Administratie en Belastingadvies - Website door Studio Campo